De zoetwaterbel

zoetwaterbel

Doorsnede van de zoetwaterbel in de Schoorlse duinen.

In de zeebodem en onder de duinen en aangrenzende polders zit zout water.
Per jaar valt er een laag zoet water van ongeveer 75 cm in de vorm van regen, hagel en sneeuw uit de lucht. Dit water verdwijnt op verschillende manieren in het milieu. Een klein deel verdampt meteen, de rest zakt in de zanderige duingrond. Al dit water hoopt zich op tot een zoetwaterbel die op het zoute water diep in de grond drijft.

Van het water dat in de grond zakt wordt ongeveer de helft opgenomen door de planten en bomen, en verdwijnt zo weer in de lucht. Vooral naaldbomen verdampen op deze manier veel water. Uit onderzoek in het duingebied is gebleken dat vrijwel onbegroeid zand het regenwater voor bijna 80% doorlaat, begroeid met loofbos voor 40% en met naaldbos 10%. Een deel van het water dat in de grond zakt vult de voorraad grondwater aan, de rest stroomt aan de randen van het duin weg. Vroeger in beken, nu alleen nog in de duinrellen en ondergronds naar zee en de omringende polders.

vogelmeer

Het Vogelmeer, hier is het hoogste punt van de zoetwaterbel, ±9 m boven NAP.

Sinds het ontstaan van de jonge duinen, 900 tot 1000 jaar geleden, is er zo een grote ondergrondse voorraad zoet water ontstaan die op sommige plekken bijna 100 meter diep is. Daaronder bevindt zich water dat onder invloed van de zee zout is geworden.
Het ondergrondse water heeft de vorm van een bel, omdat het zoete water lichter is dan het zoute water en er als het ware bovenop drijft. De capillaire werking van het duinzand speelt ook een rol, waardoor de bovenkant van de zoetwaterbel in afgezwakte vorm de hoogte van het duinterrein volgt.

In het midden van het brede duinmassief van Schoorl, bij het Vogelmeer, bereikt de zoetwaterbel een hoogte van zo’n 9 m boven NAP, naar de randen neemt de hoogte af. Bij het Hargergat komt het water op ongeveer twee en een halve meter boven NAP uit de grond opborrelen en vormt zo de beroemde duinrel.